Onderdelen
Onderdelen van een situatieschema, één voor één
Ruimtes, lichtpunten, schakelaars, stopcontacten, vaste toestellen, verdeelbord, maten, legende en titelblok: wat je per onderdeel tekent en waar je op let.
In het kort
Een volledig situatieschema van een woning bevat:
- een grondplan per verdieping, met de naam van elke ruimte;
- elk elektrisch punt als symbool, op de plaats waar het werkelijk zit;
- bij elk punt een code: de kring waarop het hangt en zijn volgnummer;
- het verdeelbord, een eventueel tweede bord en de teller;
- de belangrijkste maten;
- een legende voor symbolen die niet vanzelf spreken;
- een titelblok met het adres, de verdieping, de datum en wie het schema opmaakte.
Hieronder per onderdeel wat je tekent en waar je op let.
De ruimtes
Teken alle ruimtes van de verdieping, ook een ruimte zonder één elektrisch punt. Een lege berging op het plan zegt dat ze bekeken is; een berging die ontbreekt, roept de vraag op of er iets vergeten is. Geef elke ruimte de naam die de bewoners zelf gebruiken: keuken, living, bureau, slaapkamer 2.
Kelder, zolder, garage en technische ruimte horen erbij, net als een tuinhuis, een carport of een poolhouse die vanuit het bord van de woning gevoed worden. Punten aan de gevel en in de tuin teken je buiten de muren, aan de kant waar ze zitten.
Lichtpunten en schakelaars
Elk lichtpunt komt op het plan: aan het plafond, op de wand, als spot, als TL- of LED-armatuur, als LED-strip of als buitenlamp. Een wandlamp gebruikt hetzelfde symbool als een plafondlichtpunt, maar staat tegen de muur getekend. Noodverlichting heeft een eigen symbool.
Schakelaars teken je op de plaats waar ze gemonteerd zijn, meestal naast een deur. Het symbool toont welk soort het is: enkelpolig, tweepolig, een wisselschakelaar (die altijd per twee voorkomt), een kruisschakelaar (een derde bedieningsplaats tussen twee wisselschakelaars), een dimmer, een drukknop voor een teleruptor, een bewegingsmelder of een tijdschakelaar. Bij elke schakelaar hoort de code van het punt dat hij bedient; hoe je dat in de woning uitzoekt, staat op de pagina over kringen opzoeken.
Stopcontacten
Per contactdoos teken je één symbool. Het symbool toont hoeveel contacten de doos heeft (enkel, dubbel, drievoudig of meer), of er een aarding is en of de doos kinderveilig is. Een kleine h naast het symbool betekent dat de contactdoos spatwaterdicht is, wat je vooral in badkamers, op terrassen en aan de gevel tegenkomt.
Een dubbele contactdoos is één symbool met één code, geen twee aparte punten. Teken je ook data- en tv-aansluitingen, gebruik dan hun eigen symbool, zodat niemand ze voor een stopcontact aanziet.
Vaste toestellen
Toestellen die vast aangesloten zijn of een eigen aansluitpunt hebben, krijgen hun eigen symbool en een code zoals elk ander punt: kookplaat, oven, microgolfoven, vaatwasmachine, wasmachine, droogkast, koelkast, boiler, elektrische verwarming, ventilatie, warmtepomp (binnen- en buitenunit), laadpaal, rolluikmotoren, de omvormer van zonnepanelen en een thuisbatterij. Vaak hangen zulke toestellen op een eigen kring; hun code verraadt dat op het plan.
Verdeelbord en teller
Duid aan waar het verdeelbord hangt en geef het een naam, bijvoorbeeld "hoofdbord". Heeft de woning nog een bord, in de kelder, de garage of een bijgebouw, teken het op zijn plaats met een eigen naam. Zo weet wie het plan leest waar hij een kring kan uitschakelen.
Teken ook de teller van de netbeheerder. Daar komt de voeding de woning binnen; de teller hangt zelf niet aan een kring en krijgt dus geen kringcode.
De code bij elk punt
Naast elk symbool staat een code zoals C.4: de kring waarop het punt hangt en zijn volgnummer op die kring. Die code is de brug naar het eendraadschema en naar de automaat in het bord. Een punt zonder code is op een situatieschema een half punt: je weet waar het zit, maar niet waar het vandaan komt. Hoe je per punt de kring vindt, lees je op de pagina over kringen opzoeken.
Maten en schaal
Een situatieschema hoeft geen bouwplan te zijn, maar het moet bruikbaar zijn: de ruimtes in de juiste verhouding, en genoeg maten om afstanden te kunnen inschatten. Zet bij voorkeur de buitenmaten van de woning en de lengte en breedte van de ruimtes op het plan.
Teken je op schaal, vermeld die dan (bijvoorbeeld 1:50 of 1:100), en kijk na of de afdruk ze ook echt haalt. Een schaal op het blad die na het afdrukken niet meer klopt, misleidt meer dan een plan zonder schaal.
Legende
Gebruik je enkel gangbare symbolen, dan is een legende geen overbodige luxe maar ook geen noodzaak. Gebruik je een symbool dat niet in de gangbare reeks staat, of een eigen teken voor een bijzonder toestel, dan hoort het in een legende op het blad, met in een paar woorden wat het betekent. Zet in de legende ook wat afkortingen of letters bij de symbolen betekenen als je die gebruikt.
Titelblok
Elk blad krijgt een titelblok, meestal onderaan of rechtsonder. Daarin staan doorgaans het adres van de installatie, de naam van de eigenaar of klant, de verdieping van dat blad, de datum en wie het schema opmaakte. Maakt een installateur het op, dan staan zijn bedrijfsnaam en ondernemingsnummer erbij. Een bladnummer helpt als het schema uit meerdere bladen bestaat; in het voorbeeld hieronder is dat blad 03 van 15.
Wat er niet op hoeft
Meubels zijn niet nodig, al helpen een bad, een toilet of een keukenblok om een ruimte te herkennen. Kabeltrajecten door muren en vloeren teken je in de gangbare praktijk niet op het situatieschema; de verbanden tussen de punten zie je via hun code. Wie de trajecten toch kent en noteert, helpt wel wie later moet boren of uitbreiden. Wil een keurder iets anders of meer zien, dan beslist hij dat.